VAN SCHILDER TOT SCHOOL. Interview
Ter introductie van de expositie volgt hier een portret van
Jan Verdonk, aan de hand van de vragen die door de cursisten Nelia
Langeveld, Jan van Alphen en William Feijten gesteld zijn.
Wat is je motivatie?
Ik was afgestudeerd als theoloog in Amsterdam aan de UvA. Mijn
hoofdvakstudie was de orthodoxie; toen ik in 1990 mijn latere leraar
Neoklís tegenkwam, viel ik meteen voor de iconen en werd gelijk
ook orthodox want dat had er altijd al in gezeten. Ik kon al goed
schilderen, wat natuurlijk meegenomen was. Om het precies onder woorden
te brengen: mijn motivatie komt voort uit mijn orthodoxe geloof en uit
bewondering voor de traditie van de iconen.
Waarom de specifieke keuze voor de Griekse schilderstijl
en waarin verschilt deze stijl van andere stijlen?
Ik heb een Grieks specialisme. Op school heb ik Oudgrieks
gehad, in mijn studie de filosofen, Nieuwe Testament, kerkvaders en
Byzantijnen gelezen, allemaal Grieks en mijn bijvak was Nieuwgrieks. En
ik heb twee jaar in Griekenland gewoond. In 1990 ontdekte ik de
mediterrane kleuren van de iconen bij Neoklís in Athene. Ik zag
ze toen in mijn dromen. Voor mijzelf maken de kleuren van de
Middellandse zee het verschil met de Russische iconen.
Wat is de meerwaarde van het feit dat je theologie
gestudeerd hebt in relatie tot het schilderen van iconen?
Als ik iconen schilder voel ik constant de associatie met de
bijbel, liturgie, kerkvaders, kerkgeschiedenis en spiritualiteit, dat
alles wat ik mijn vak noem als theoloog. Dat is niet zo gek, want in de
icoon zit de bijbel. De icoon laat zien, de bijbel beschrijft. De icoon
is het vehikel van het evangelie zegt de kerk.
Bestaat er geen gevaar door jouw drukke praktijk dat er
door het opleiden van zoveel mensen een zekere vervlakking van het
ambacht optreedt en dat dit ten koste gaat van de kwaliteit?
Ik doe niks af aan de eisen van het ambacht. Het Griekse
schilderen is een pakket van regels, de volgorde is ook belangrijk,
(eigenlijk heel schools) en dat leert iedereen. Het is bij elkaar wel
veel, zodat ik in een les vaak niet meer dan twee minuten rustig op
mijn stoel zit. Soms denk ik: waarom heb ik eigenlijk een stoel nodig
als ik toch drie uur rondloop?
Wat is het leuke aan lesgeven?
Midden op de grote tafel staat vaak een berg kleine rommel,
schilderkisten en papier, de wanorde ten top, terwijl de iconen sereen
er omheen liggen. De gesprekken dreigen wel eens over
t.v.-programma’s te gaan, dan is het tijd om in te grijpen.
Schreeuwen mag ook niet.
Ik heb ook het gevoel dat we samen aan onze icoon schilderen,
de één helpt de ander, ook de ander in een andere klas,
want ikzelf wordt geholpen, verbeterd of geadviseerd door de leerlingen
en daar heeft iedereen profijt van. Dit jaar gaan we op excursie naar
de Russische kerk, met vesper en eten in de stad.
Leerlingen zullen uiteindelijk ook een eigen stijl
ontwikkelen. Wat zijn voor jou de grenzen van het hebben van een eigen
schilderstijl?
Voor enkelen is dit al de dertiende cursus. Maar iedereen
ontwikkelt zich al vanaf het begin. Je ziet robuuste schilders en
mensen die van schilderachtig houden en van details. Sommigen gaan op
in het lijnenspel. De eigen stijl komt vooral tot uitdrukking in de
lijnvoering, de kleurkeuze en de uitdrukking van het gezicht.
Als iemand geneigd is te experimenteren, dan kan dat ook nog
binnen de Griekse stijl, er is zo enorm veel te onderzoeken wat ooit al
geschilderd is. Er zijn grondvlakken transparant opgezet, transparante
lichten, zachte (Italiaanse) lichten, koude lichten op warme
grondkleuren, ga zo maar door. Er is ook een repertoire wat de schilder
moet beheersen, zoals de berg, de rivier, de boom, het huis, het dier,
het haar, de baard. Ik raad iedereen aan binnen de traditie te blijven.
Dan voeg je daaraan nog iets toe. De grens is de traditie.
Je bent zelf Grieks-orthodox terwijl de meeste leerlingen
dat niet zijn, jouw schilderen is een dienst aan de kerk, hun
schilderen is misschien puur om de techniek. Maakt jou dat uit?
Nee, dat maakt me niet uit. De leerlingen zijn
geïnteresseerd in de achtergronden van de icoon. Veel mensen sprak
ik ooit op de iconenexposities in het Bijbels Museum en het
Catharijneconvent waar ik aan meewerkte, en die zag ik terug in de les.
De orthodoxe standaardeisen voor de icoon gelden voor mij en die geef
ik door, en er is altijd theologische informatie en discussie over
natuurlijke materialen bijvoorbeeld.
Wat houdt je bezig?
Wat mij wel bezighoudt is dat er heel veel schilders in
Rusland zijn die in de Russische stijl en techniek schilderen maar
Griekse voorbeelden gebruiken. Maar dat is andere vormentaal. De
Griekse vormen, bijvoorbeeld van de Kretenzische schilder Andreas
Ritzos, komen uit de Hellenistische stijl en zelfs uit de Oudheid, nl.
de klassieke beeldhouwkunst. Ze kunnen wel zeggen dat ze gewoon de
vereerde Moeder Gods schilderen, maar het resultaat is ambigu,
dubbelzinnig, het rijdt op twee sporen. Hebben de Russen geen
voorbeeldboeken van Stroganov en Ushakov dan? Dat de voorbeelden Grieks
zijn wordt niet eens gesignaleerd door auteurs als Popova en Yazykova,
zodat ik moet concluderen dat het Russische schilderen zich in een
crisis bevindt.
Breng je zelf ook een icoon naar de expositie.
Ik heb zin om het drieluik met de grote Deësis te laten
zien, die ook op mijn website staat. Ik ben eraan gehecht. Ik heb er
ook altijd herinneringen bij aan de tijd waarin het geschilderd is, in
het atelier van de restaurateur Dimitris aan de overkant van het IJ in
Noord. Toen hij vertrok zat ik daar in mijn eentje, in de grote stilte.
Verder zal ik een Nikolaas-icoon ophangen omdat de kerk in Utrecht waar
we exposeren aan Nikolaas is gewijd.
Verleden, heden, toekomst?
Ik heb geluk gehad en het geluk gevonden. Dat ik mijn leraar
vond was fantastisch, ik beschouw hem nog steeds als de beste schilder
van Griekenland, ook al is ie gestopt. Toen ik uit het vliegtuig stapte
in 1991 in Nederland wist ik dat ik mij aan de icoon zou wijden. Ik heb
nooit zorgen gehad, ik werd gewoon geholpen. Ik heb tien jaar thuis
geschilderd, bij familie in Frankrijk en in huurkamers in Griekenland.
Toen het tijd was, moest ik les gaan geven. Dat was een heel andere
fase, wel heel gezellig moet ik zeggen. In de zomer is er geen les, dan
heb ik meer tijd en schilder ik opdrachten. En zo gaan we door, met
deze mensen en met mijn eigen werk.
|