De Wijze Lessen van Neoklis
Deel 6

Monochromatische ontwikkeling.

Ik wou zeggen dat wat ik je tot nu toe heb laten zien of gezegd heb over de gezichten, dat dat de manier is waarop ik werk en ook andere collega’s, maar dat betekent niet dat dat de enige en beste is. Ik persoonlijk flirt met de echte Kretenzische manier, tenminste uit één periode, waarvan ik de gezichten die ze maakten erg mooi vind, waarmee ook Theofanes heeft gewerkt, net zoals misschien niet zozeer Damaskinos, als wel nogal velen trouwens.

Je kunt het boek erbij nemen, de monografie over de expositie die hier was, “Byzantines Eikones tis Kritikis Technis”. En je zoekt afbeelding 145, de Kruisiging. Op de volgende pagina staat een detail van het gezicht van Christus.

Laten we naar Christus kijken. Kijk nu heel lang naar die techniek totdat je elk stukje begrijpt. Die techniek heet monochromatische ontwikkeling. Dus die man maakt zijn proplasmos, en zijn grapsimata, en later een licht, maar met heel veel aandacht voor toon en kleur. Want hoe moet het licht zijn? Je moet heel erg treffen. Vooral in kleur. Hij neemt dus die kleur, zo denk ik dat hij het doet, wat ik je zeg is wat ik zie. Zeg het als jij iets anders ziet. Hij neemt een beetje op zijn glasplaat, met water, hij doopt zijn penseel in, hij veegt het af met zijn vingers om de meeste verf eruit te halen en om het te spreiden, om het een beetje een waaier te maken. En hij begint te werken en de vorm te bewerken met veel aandacht voor de streek, d.w.z. met de richting van het penseel. Soms zie je dat hij cirkelvormig werkt, soms parallel, al naar gelang de vorm. Je kunt de streken bekijken. Als je bijvoorbeeld naar de streken op de borst kijkt, dan zul je er een paar zien die opvallen, daar aan de rand in het gebied dat we glykasmos noemen, die volledig parallel zijn. Die streken worden niet één voor één gezet. Ze komen van een penseel waarvan de haren uiteen staan. Dus hij begint erg zorgvuldig te werken, want de meesters, zij die heel goed werkten in die techniek, kwamen niet meer terug met proplasmos naar men aanneemt. Ze werken alleen met licht. Hij maakt de hele vorm waterig en met die streken. Theofanes gebruikt een enkele keer gekruiste streken, dus langs een wang parallel aan de vorm en daarna loodrecht erop. En de streken vormen daar waar ze elkaar kruisen een arcering, precies zoals wij schaduwen maken met een potlood. Dat is wat hij doet. Zo verdikt hij langzaam aan de kleur door er op terug te komen, en hij creëert massa, want aan de rand is er één streek, verder naar binnen twee, iets verder naar binnen drie en zo voort, en alsmaar wordt zijn verf dikker. Op de welvingen wordt de verf natuurlijk zwaarder en dikker. Naar wat ik zie maar ook naar wat men mij verteld heeft deden die mensen het volgende: ze namen die verf en voegden er alleen wit aan toe. En zetten hun accenten. En daarna meer wit en weer accenten, en daarna de hoge lichten en tenslotte met zuiver wit over meerdere hoge lichten. Dus dat is de monochromatische ontwikkeling. Bij deze Christus is geen blosje, want hier is Christus gestorven. Bij de Moeder Gods bijvoorbeeld is het onontbeerlijk om een blosje te zetten.

Werken met transparanties.

Als we nu naar het gezicht van Johannes de Doper van icoon 157a kijken, dan zien we dat het abstracter en soberder is, en terwijl zijn derde licht hoge tonen bereikt, creëert hij licht, maar zijn kleuren zijn meer waterig. Dus het is een transparant daar op de wang, het voorhoofd, de wenkbrauwwal en de neus, ondanks dat er witte of bijna witte lichten zijn. Want daaronder zit geen massa van kleur, het is allemaal transparant. Dat is een zeer gevorderde techniek, ondanks de soberheid, waar een heel goede kennis van de vorm voor nodig is, en het moet in één keer goed. Het is de moeite waard om uit te proberen, want als je iets niet probeert leer je het niet. In het ergste geval, als je er niks van terecht brengt, kun je het altijd verbeteren natuurlijk met de andere manier die je geleerd hebt. En dan zal je glykasmos makkelijker zijn want in het gebied van de glykasmos zal het licht er niet op zitten, maar slechts met penseelstreken opgebracht. Deze methode vraagt grote vrijheid van de schilder en is óók een echte Kretenzische techniek. Zie de verbazende mogelijkheden van de transparantie. Op zijn linkse wang heeft hij bescheiden derde lichten gezet, natuurlijk geen witte, en zie hoe ze het kleine licht weergeven. En zo ook op de keel van Johannes. Als hij de kleur van die flauwe derde lichten dik had gezet, zou het erg storen. Want eronder zit geen laag licht, er is geen licht, het is weinig, maar zo transparant dat het oog het accepteert. Dat is de logica van de transparantie.

Om even door te gaan met Johannes: je moet hierna naar zijn grapsimata kijken. In de wenkbrauwen staat anderhalve zwarte lijn en de rest verloopt in de proplasmos. Het zwart is er natuurlijk wel, maar ik zou zelf de lijn van het bovenste ooglid donkerder maken. Hij heeft het niet gedaan, maar het kan er ook afgegaan zijn, zoals je ziet bij het zwart in het rechtse oog en onderaan de neus. Hoe dan ook, het gaat erom, en dat wil ik benadrukken, dat ook zijn grapsimata transparant en waterig zijn. Kijk hoe transparant de baard is. En terwijl hij donker, heel donker gebruikt, aar transparant, accepteert het oog het. Op één en dezelfde manier zijn de lichten en de schaduwen gezet op die neutrale basis die we de proplasmos van het gezicht noemen. Zo wordt het gezicht een harmonisch geheel. Persoonlijk vind ik dat de hele icoon (157b) niet dezelfde eenheid heeft. Dezelfde hand lijkt hem gemaakt te hebbeen, vooral Johannes, vrij abstract, vrij vrij, heel transparant. Niet dat de icoon niet mooi en harmonisch is, hij is goed, maar ik zie niet dezelfde logica in de rest van de icoon. Kijk ook naar de hand en de snor van de Doper. Is het niet verbazend? De snor bijvoorbeeld geeft hij weer door drie lijntjes en dat is het. Het midden van de lippen wordt niet belijnd. Kijk hoe hij het volume van de onderlip weergeeft, niet alleen door een juiste belichting, maar ook door de manier waarop hij die lijnen heeft getrokken die de dunne haren aangeven die bij de ronding van de onderlip beginnen.

Verder is er het detail van het gezicht van de Moeder Gods (157c) van dezelfde icoon. Dat is ongetwijfeld van dezelfde meester. De wangen zijn dikker opgebracht. Maar je kunt iets anders goed zien. Hij heeft parallel aan de buitenkant van de licht vorm gewerkt op de manier waarover we gesproken hebben, dus met een penseel dat hij tot een waaier heeft gemaakt. Maar de volgende lichten vormen een hoek van 40, 45 graden met de richting van de vorige. Hetzelfde gebeurt aan de kant van de neus. Hetzelfde doet hij in zekere zin met de glykasmossen. Verder vormen de derde lichten op de kaak bijna een rechte hoek met de overige. Je kunt hier ook de eenheid van het licht waarnemen. Het begin van de keel is parallel aan het einde van de wang en ze hebben dezelfde richting. Als je een denkbeeldige lijn trekt van waar het licht in de rechtse wang ophoudt in de richting van de keel, dan zul je zien dat er een eenheid is. Ikzelf had iets van de rechterkant van de kin afgehaald. Want er is rechts in de keel geen licht en ook niet op de wang, en zo komt de kin nogal overdreven naar voren. Ook weet ik niet of hij vervaagd is, maar de bovenkant van de neus bevalt me niet. Er zit daar iets scheef. Hij wou misschien een neus tot aan de wenkbrauw. Ik vind toch dat er met kunde is gewerkt en zeker dat het karakter is weergegeven.

Ik heb vastgesteld hoe licht deze mensen werken, niet alleen in de gezichten waterig, waterige kleuren, waterige schaduwen, alles transparant, maar ook in de kleding. Het is verbazend hoe licht ze werken, waar ons werk zwaarte heeft, dus materie.Natuurlijk is het een noodzakelijke voorwaarde dat je een absorberende grondering hebt. En vervolgens vereist de transparantie natuurlijk kunde. Ik zal je zeggen dat zij met de proplasmos niet de grondering hebben gedekt. Het lijkt alsof ze dat met opzet doen. Het interesseert ze niet zo erg of het helemaal dekt en of het een egaal filter vormt, nee, op sommige plekken kan het minder dekken of meer, ze geven er niet om, ze gaan door.En ze werken met transparante lichten, dus transparante proplasmos, alle lichten transparant, alleen is soms het derde licht iets dikker. En zo komt het ene licht in het andere te staan en het licht in de grondering. En wat het oplevert is een volledig ander resultaat, veel spiritueler dan wat wij maken. Zoals je begrijpt staat dit geen correcties toe. In één keer goed. Ook al ontglipt me het penseel. Want je ziet soms bij Theofanes en anderen dat het grapsimo bijvoorbeeld een beetje te ver is gegaan of het licht staat niet helemaal recht, het staat misschien een beetje naar binnen of over de rand. Maar omdat ze transparant zijn storen ze niet zo. Die mensen vinden het belangrijker dat ze vrij gezet zijn, want als ze werkten, werkten ze koortsachtig, en niet zoals wij met een lijn van tienduizend uur: een lijn en gaat ie goed en gaat ie niet goed dan zetten we hem nog een keer. En we halen weg en zetten opnieuw. Zij deden het in één keer.

Dus kijk er nogeens naar en probeer eens of het je lukt. Het zijn hele mooie gezichten en als je eraan werkt geven ze je een speciale voldoening. Goed, ik weet niet wat het juiste systeem, de juiste manier is, dus of rustig werken en mettertijd leren snel te werken? Of proberen snel te werken, al is het niet zo correct? Mettertijd zal je èn snel èn correct leren werken. Ik denk dat beide manieren goed zijn, al naar gelang wat je ligt, je karakter. Trouwens als je iets ziet wat heel goed en verzorgd gemaakt is, maar de lijn is benauwd en gekweld, dan hindert je dat. Maar het andere dat een beetje ontspoort, is vrij en dat doet je goed. Het hindert je niet. Je zegt: Goed, ik vind het toch mooi. Het meest ideale zou natuurlijk zijn dat de lijnen èn vrij èn correct zijn. Kijk met hoeveel vrijheid Roeblev bijvoorbeeld een troon maakt. Ik stel me voor dat hij zijn hand vrij bewoog waar hij ook heen ging, en wat maakte hij? Een asymmetrische troon. Hij s aan weerszijden verschillend, want de helften komen van twee verschillende tronen. Eigenlijk heeft ook dat een theologisch fundament: want niets is in deze wereld identiek aan iets anders. Alles is uniek en er bestaat geen absolute symmetrie. Daar doelt de Heilige Schrift op met het goed-zijn van de schepping. De wereld is zeer goed gemaakt, niet volmaakt. Niet dat hij per ongeluk uit God is voortgekomen, maar het is een maaksel en dit wilde hij maken en hij deed het.

Ik wilde je nog zeggen dat deze manier van gezichten maken in het begin je teleur zal stellen. Zoals alle manieren. Maar als je je ervoor inzet zul je beloond worden. Je zult hele mooie gezichten maken. Probeer de twee manieren uit en een derde bovendien, die je zelf zult uitvinden. Ze werken op verschillende manieren, vriend. En kijk wat je het meeste ligt, wat het resultaat oplevert dat naar je smaak is. En handel ernaar.

Penseel voor het derde licht.

Kijk naar de Johannes waar we over spraken, hoe de derde lichten in zijn keel zijn. Die zijn niet gezet met een heel dun penseel. Gebruik daarvoor een nummer twee van Newton, van serie 7, waarmee je met de punt hele dunne kunt zetten. De techniek met de hele dunne en vele derde lichten hebben velen toegepast en vooral Tzanes naar ik me herinner. Daar is veel kunde voor nodig en het moet je als stijl liggen want het geeft een ander karakter aan de icoon. Mar ik vind, en als je wilt luister je naar me: het zou goed voor je zijn iets grotere penselen te gebruiken voor je derde lichten, en kortharige. En waar je moet accentueren zet je een paar streepjes ook weer met het puntje van het kortharige. Je kunt het ook in de kleding doen. Theofanes gebruikt het tot verzadigens toe.

Rauwe omber.

Ook is het goed een paar pigmenten te nemen en een rauwe omber te maken. Want die in de handel circuleert, is ongeschikt want er zitten korrels in die rommel maken en niet goed werken. Rauwe omber is geen concrete kleur. Er zijn veel ombers die onderling sterk verschillen. Je hebt nodig: zwart, blauw, groen, bij voorkeur licht rood, ruim oker en een beetje intens geel. Als je Napels geel neemt zit er ook wit in en in oker zit wit. Dan meng je het goed en je hebt een hele goede kleur die een beetje neutraal is. Als je hem aan rood toevoegt maakt hij het zediger. Uit blauw en groen haalt hij de kou en maakt ze warmer. Ook kan hij in de proplasmos van het gezicht. Hij maakt mooie onderklederen met alleen wit: het kleedje van Christus, schriftrollen, evangelierollen en bladzijden.

Ei en azijn.

Als we kleine stappen maken zijn de lichten breder, de vormen groter. Maar ik wil ook dat je dan heel veel ei gebruikt, zoveel ei, dat als er gevernist wordt er niks verandert. Gebruik zoveel ei. Je zult constateren dat het resultaat een grandeur en een magie heeft die je je niet voor kunt stellen. Het ei is verpletterend, het geeft een verpletterende kwaliteit aan wat je maakt. Wees er dus niet zuinig mee, gebruik het niet alleen als bindmiddel. Dat deden de ouden ook niet. Als dat niet zo was, zouden we met een lijm kunnen werken die makkelijker is, met een acrylbinder of met een lijm uit suikerriet, een lijm uit rijst, waarmee de Chinezen werkten. Maar het ei heeft een andere kwaliteit en we moeten proberen die uit te buiten.

Ook weet ik niet of je goed azijn gebruikt. De azijn moet van druiven zijn, van wijn, dus wijnazijn. Azijn is heel goed voor het ei, dus hij moet van de beste kwaliteit zijn. Probeer ook eieren van goede kwaliteit te vinden, scharreleieren. Goed ei en goede azijn staan borg voor stralende kleuren, stabiliteit en in het algemeen hoge kwaliteit. Zorg heel goed voor je materiaal, zoals ook voor je grondering, je hout, je penselen, je vernis, voor alles.